Gewaskeuze

De belangrijkste succesfactoren: gewaskeuze

Voor verschraling of uitmijning kan het best worden gewerkt met gras of grasklaver, omdat die de meeste nutriënten opnemen uit de bodem. Door een beheer van maaien en afvoeren worden de nutriënten uit het terrein afgevoerd, zodat op de lange termijn de voedselarme bodem ontstaat, die gewenst is voor de beoogde natuurontwikkeling.

De hoeveelheid nutriënten die wordt afgevoerd met maaisel van gras of grasklaver hangt vooral af van de hoeveelheid biomassa die wordt afgevoerd. Dit betekent dus dat het voor een effectieve verschraling van belang is om de biomassaproductie op peil te houden, zodat voldoende nutriënten uit de bodem worden onttrokken. Per ton droge stof wordt ongeveer 20-25 kg stikstof (N), 2,5-3 kg fosfor (P) en 10-25 kg kalium (K) opgenomen door de biomassa. Op basis van deze samenstelling kan worden berekend hoeveel nutriënten worden afgevoerd bij een droge stofproductie van 1, 2, 5 en 10 ton per hectare. De hoge producties worden alleen bereikt als de nutriëntenbeschikbaarheid voldoende hoog is, bijvoorbeeld door de N- en K-toediening met meststoffen bij uitmijning. Vaak is er in voormalige landbouwgronden voldoende P aanwezig om een hoge productie gedurende een groot aantal jaren mogelijk te maken zonder dat P via meststoffen wordt aangevoerd.

De beworteling van gras is vrij ondiep, en vrijwel alle nutriënten worden onttrokken uit de bovenste 10-20 cm van de bodem. Als de nutriënten over een grotere diepte in het bodemprofiel aanwezig zijn, kan worden overwogen voor een dieper wortelend gewas te kiezen, zoals luzerne of een graangewas.

Klaver wit gras