Bemesting

De belangrijkste succesfactoren: bemesting

Zoals bij bodemvriendelijke natuurontwikkeling al is aangegeven, is de nutriëntenvoorraad in de bodem van voormalige landbouwgronden vaak te hoog voor de gewenste natuurontwikkeling. Dit geldt in het bijzonder voor de fosfaattoestand, omdat fosfaat in veel landbouwgronden is opgehoopt doordat jarenlang met meststoffen meer fosfaat is aangevoerd dan dat met het gewas is afgevoerd.

Vegetatietypen stellen verschillende eisen aan de voedselrijkdom, de zuurtegraad (pH) en de ontwateringstoestand van de bodem. Overzichten hiervan zijn bijvoorbeeld gegeven in de ‘Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland’ (Schaminee et al., 2010). Op basis van onderzoek zijn streefwaarden voor de maximale nutriëntentoestand voor uiteenlopende vegetatietypen afgeleid.

Als uit een meting van de actuele nutriëntentoestand van de bodem blijkt dat die hoger is dan de streefwaarden, moet die worden verlaagd. Dit wordt bij voorkeur gedaan door verschraling, wat voor een grasachtige vegetatie overeen komt met een beheer van maaien en afvoeren, of door uitmijning, een bijzondere vorm van verschraling, waarbij de fosfaattoestand van de bodem versneld wordt verlaagd door een maximalisering van de fosfaatonttrekking door het gewas. Op basis van kennis over de actuele nutriëntentoestand, de streefwaarde voor de gewenste natuurontwikkeling en de onttrekking van nutriënten door de vegetatie kan een inschatting worden gemaakt van de haalbaarheid om de doelen te bereiken via verschraling of uitmijning. Voor fosfaat is dat hieronder schematisch weergegeven.

 

Stappenplan voor een beoordeling van de haalbaarheid om de P-toestand te verlagen voor de gewenste natuurontwikkeling (R. Postma, NMI).

Bij uitmijnen wordt de groei en fosfaatonttrekking van het gewas gemaximaliseerd door een bemesting met alle nutriënten met uitzondering van fosfaat. In de praktijk betekent dit dat op grasland vooral stikstof, kali en eventueel zwavel wordt aangevoerd met meststoffen, terwijl op grasklaver kan worden volstaan met een toediening van kali- en zwavelhoudende meststoffen. Het bemestingsniveau kan worden gebaseerd op het bemestingsadvies, dat rekening houdt met het gewas en de verwachte levering van nutriënten in de bodem. Verder is het vooral voor grasklaver belangrijk dat de pH niet te laag is (pH-KCl > 5,5), omdat het risico dat de klaver verdwijnt in dat geval aanwezig is. Bij een pH lager dan 5,5 wordt daarom geadviseerd te bekalken. 

Verder lezen