Herstelmaatregelen

Herstelmaatregelen

Uit het vooronderzoek is inzicht verkregen in:

  • de gesteldheid van de bodem die de landbouw heeft achtergelaten
  • de regionale en lokale waterhuishouding
  • de natuurdoelen
  • de aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden

De bodem die de landbouw heeft achtergelaten is in de meeste gevallen gedraineerd en bevat hoge gehalten aan nutriënten. Met name grote hoeveelheden P zal zich door de lage oplosbaarheid, de sterke binding aan de bodem en de lage uitspoeling hebben opgehoopt in anorganische vorm. Met herstelmaatregelen tracht men de standplaatsfactoren te optimaliseren voor de beoogde natuurdoelen. Dit betekent in de meeste gevallen dat de bodem en de waterhuishouding aangepast dient te worden. Dit kan door middel van inrichtingsmaatregelen, waarbij regelmatig met grootschalig grondverzet en ingrijpende maatregelen in de waterhuishouding een nieuwe, optimale beginsituatie voor de natuur beoogd wordt. Alternatief voor afgraven is uitmijnen waarbij de bodemhoogte gelijk blijft en grondafvoer achterwege blijft. Daarna volgen beheermaatregelen als maaien/afvoeren en begrazen om de ontwikkeling van de natuur de juiste kant op te sturen en zodoende de beoogde vegetatietypen te bereiken. Tenslotte zal de terreinbeheerder overgaan op onderhoudsbeheer om de situatie te bestendigen.

Een combinatie van een herstel- en beheermaatregelen kan het succes voor realisering van het natuurdoel vergroten. Keuze van een herstelmaatregel hangt sterk af van de P waarden in de bodem en de diepte waarop verhoogde waarden van P aanwezig is. De keuze van een beheermaatregel hangt af van het natuurdoel en het budget.De herstelmaatregelen kunnen opgehangen worden aan het rangordemodel dat veel in de landschapsecologie wordt gebruikt. In bodenstaand figuur staat een weergave van het rangordemodel met links de maatregelen (bruin) die in de landbouw zijn genomen en rechts de maatregelen om de natuur te herstellen (groen).

Inrichtingsmaatregelen

Cyclisch plaggen

Bij cyclisch plaggen wordt de bovenste laag van de bodem (tot 10 cm diep), inclusief vegetatie, afgevoerd. Cyclisch plaggen zorgt ervoor dat het systeem verjongd wordt, waardoor pioniersvegetaties weer kans krijgen zich te ontwikkelen. Dit moet wel gebeuren voordat de zaadzetting plaatsvindt van ongewenste soorten. Om een voedselarm systeem te behouden moet het plaggen om de 10 à 20 jaar gebeuren. Vaak bevindt het fosfaatfront zich op voormalige landbouwgronden echter op een grotere diepte dan 10 cm waardoor met cyclisch plaggen de voedselrijkdom van de bodem onvoldoende kan worden teruggedrongen.

Ontgronden, afgraven

Bij ontgronden (toplaagverwijdering/maaiveldverlaging) worden enkele decimeters van de toplaag verwijderd. Voordat de toplaag afgegraven wordt, moet de diepte van het fosfaatfront bepaald worden. Dit komt namelijk niet altijd overeen met de dikte van de bouwvoor. Fosfaat kan door uitspoeling namelijk dieper in de bodem terecht komen. Door middel van ontgronding kan een snelle verschraling plaatsvinden.

Ontgronden wordt vaak als een zeer dure verschralingsmaatregel gezien. De kosten van enkele decennia maaien en afvoeren moeten echter ook niet onderschat worden. Verder is het in bepaalde situaties mogelijk om de afgegraven grond te verkopen, zodat het project kostenneutraal kan worden uitgevoerd.

Beheersmaatregelen

Ook met beheersmaatregelen kan tot op zekere hoogte de uitgangssituatie voor de natuur verbeterd worden. Verschraling (limitatie van voedingsstoffen) op voormalige landbouwgronden kan op verschillende manieren bereikt worden.

 Maaien en afvoeren

Intensief beheer in de vorm van maaien en afvoeren levert in veel gevallen voldoende resultaat op om de bestaande (gewenste) vegetaties in stand te houden. Nutriënten in het bovengrondse organisch materiaal worden afgevoerd, waardoor ze uit het systeem worden onttrokken. Echter, bij landbouwgronden, die intensief zijn bemest, is deze vorm van beheer niet altijd afdoende om de grote hoeveelheden fosfaat in de bodem snel te verlagen. Het kan vele tientallen jaren duren, bij sterk bemeste percelen vaak tot 200 jaar, voordat zoveel nutriënten zijn verwijderd dat er sprake is van een voedselarme bodem.

Uitmijnen

Uitmijnen is een versterkte verschraling door middel van een gewas waarvan de productie op peil wordt gehouden door middel van aanvullende bemesting opdat de afvoeren van het doelnutriënt (fosfor) maximaal is. Door middel van het zaaien van grasklaver in combinatie met kalibemesting en een maaibeheer kan fosfaat versneld (40 kg P/ha/jr: 4x sneller als met maaien en afvoeren) aan de bodem worden onttrokken. Klaver houdt met haar stikstofbinding de productie gaande en kalibemesting wordt gebruikt om klaver optimaal te laten groeien. Ook met deze beheersmaatregel duurt het op voormalige landbouwgronden vaak tientallen jaren voordat het gewenste verschralingsniveau is bereikt. Het uitmijnen kan versneld worden door het verwijderen van de meest voedselrijke toplaag.

Extensieve begrazing

Bij extensieve begrazing worden nutriënten opgenomen door grazers. Via mest en urine komen ze dan elders weer vrij. Dit leidt vooral tot herverdeling van nutriënten binnen het gebied en veel minder tot de afvoer van nutriënten van het gehele gebied. Daarnaast worden bepaalde soorten als Pitrus (Juncus effusus), niet of weinig gegeten, waardoor de dominantie van deze soort alleen maar kan toenemen.

 Toevoegen van mineralen

Op natte zandgronden wordt afgraven vaak in combinatie met bekalken uitgevoerd om ammonium te neutraliseren waardoor de zuurgraad niet te snel daalt. Sinds 2018 is toevoeging van steenmeel een methode om mineralen aan de bodem toe te voegen wat de zuurgraad verhoogd door herstel van de buffercapaciteit. Fe pulp is een restprodukt van de waterzuivering en kan P goed binden waardoor de P beschikbaarheid sterkt wordt verlaagd. Zie ook natuurkennis.nl

Aanvullende (beheers)maatregelen

Na het verwijderen van de P-verrijkte toplaag is het vaak nodig om nog een aantal jaren aanvullend verschralingbeheer te plegen door middel van maaien en afvoeren. Begrazen houdt het terrein wel open maar leidt alleen lokaal tot een verdere verschraling van het terrein. Nadat een P-gelimiteerde uitgangssituatie is gecreëerd is er vaak nog geen sprake van de gewenste vegetatieontwikkeling. Met name de zeldzame en bijzondere soorten (meestal tevens de doelsoorten) vestigen zich doorgaans niet of slechts na lange tijd. Op voormalige landbouwgronden is van de oorspronkelijke zaadbank meestal weinig meer over. Door de hoge nitraatconcentraties in deze bodems zijn de meeste zaden reeds gekiemd omdat nitraat werkt als kiemhormoon. De nog resterende zaadbank wordt vaak gedomineerd door zeer algemene soorten met een hoge zaadproductie, zoals Pitrus. Zonder introductie van doelsoorten is de kans op vestiging van deze soorten te verwaarlozen indien er geen bronpopulaties in de nabije omgeving aanwezig zijn.

Herintroductie/zaaien

Het uitzaaien van diasporen (zaden, sporen, stekken) via maaisel of plagsel van een geschikte referentievegetatie zal de ontwikkeling van de gewenste vegetatie sterk bevorderen.

Verspreiden plagsel

Spreiden plagsel wanneer plagsel wordt gebruikt voor herintroductie worden tevens mycorrhiza’s (schimmels die planten helpen bij de opname van voedingsstoffen op voedselarme gronden) van de doelsoorten en andere essentiële bodem micro-organismen in het gebied geïntroduceerd.

Bodemtransplantatie

Een relatief nieuwe beheersmaatregel is bodemtransplantatie. NIOO-KNAW heeft daar afgelopen jaren succesvolle ervaringen mee opgedaan. Bodemtransplantatie is het opbrengen van bodem-materiaal uit een donor (natuur)gebied op een ander stuk land. Het materiaal wordt daarbij in een dun laagje verspreid op het andere gebied.

Zie ook Sival, F.P., W.J. Chardon & M.M. van der Werff. 2004. Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden in relatie tot de beschikbaarheid van fosfaat: evaluatie van verschralingsmaatregelen. Alterra rapport 951. Alterra, Wageningen.

Sival, F.P., R.H. Kemmers, W. de Vlieger & B. de Jong. 2009. Vegetatieontwikkeling en Pitrus dominatie op voormalige landbouwgronden in het Geesterstroomgebied. Praktijkexperiment Gees. Alterra-rapport 1899. 50 p.